|
Geologische geschiedenis van Nederland Het huidige Nederlandse landschap is voornamelijk gevormd in het Kwartair. Dit is de laatste periode van het hoofdtijdperk Kenozoïcum, deze periode is 2,5 miljoen jaar geleden begonnen en duurt nog steeds voort. Het Kwartair wordt onderverdeeld in twee tijdvakken, namelijk het Pleistoceen en het Holoceen. De periode wordt gekenmerkt door het optreden van grote klimaatschommelingen. Hierbij stond het Nederlandse grondgebied afwisselend bloot aan ijstijden (glacialen) en warmere perioden (interglacialen). Juist door het voorkomen van deze ijstijden onderscheidt het Kwartair zich van de voorgaande periode, het Tertair. Het Kwartair is daarmee de enige geologische periode die niet gedefinieerd is op basis van fossielen in een gesteentelaag, maar op basis van snelle veranderingen in het klimaat. Pleistoceen Het tijdvak Pleistoceen begon 2,5 miljoen jaar geleden tezamen met de periode Kwartair. Kenmerkend voor dit tijdvak zijn de grote veranderingen in het klimaat: glacialen werden afgewisseld met interglacialen. De temperatuurveranderingen hadden tot gevolg dat de zeespiegel afwisselend steeg en weer daalde. Een glaciale tijd zorgde ervoor dat veel zeewater werd vastgelegd in ijskappen op het land, hierdoor daalde de zeespiegel en kwamen grote stukken zeebodem aan de oppervlakte. Een opvolgende interglaciale tijd zorgde ervoor dat de landijskappen weer smolten. Gevolg hiervan was een stijgende zeespiegel. Pleistoceen in Nederland Vooral de laatste glacialen en interglacialen van het Pleistoceen hebben veel invloed gehad op de vorming van het huidige Nederlandse landschap. Vooral in het oosten en zuiden van het land komen afzettingen uit Pleistoceen nog aan de oppervlakte. - Saalien Het Saalien is de voorlaatste ijstijd. Deze begon 200.000 jaar geleden en eindigde 130.000 jaar geleden. Tijdens dit glaciaal werd het noorden van Nederland bedekt met een uit Scandinavië afkomstige gletsjer tot aan de HUN-lijn (Haarlem, Utrecht, Nijmegen). In deze tijd zijn verschijnselen zoals stuwwallen, morenes, sandrs, kame-terrassen en pingoruïnes gevormd. - Eemien Het Eemien is het interglaciaal tussen de glacialen Saalien en Weichselien. Deze tijd duurde van 130.000 tot 120.000 jaar geleden. Tijdens het Eemien warmde de aarde zich op en trokken de gletsjers zich terug. Het klimaat tijdens het Eemien was redelijk overeenkomstig met het huidige klimaat. De zomers in het Nederlandse gebied waren net iets warmer dan tegenwoordig het geval is. Op diverse plekken trad vervening op waarvan er nog enkele in de huidige Peel in Brabant aan de oppervlakte komen. Dit wordt de Formatie van Asten genoemd. - Weichselien Het Weichselien is de laatste ijstijd. Deze begon 120.000 jaar geleden en eindigde 10.000 jaar geleden met het begin van het Holoceen. Tijdens het Weichselien bereikten de gletsjers het huidige Nederlandse gebied niet. Wel liepen de temperaturen hier zover terug dat er een poolwoestijn ontstond, deze besloeg een groot deel van de Noordzee en de kustgebieden ten zuiden hiervan (waaronder Nederland). In deze tijd zijn verschijnselen zoals rivierduinen en pingo(ruïnes) ontstaan. Tevens is in deze tijd een groot deel van Nederland bedekt onder een laag dekzand en löss. Holoceen Het Holoceen is het jongste tijdvak van de aardgeschiedenis. Deze begon 10.000 jaar geleden na de laatste ijstijd, het Weichselien, en duurt nog steeds voort. Kenmerkend voor dit tijdvak is de grote temperatuurstijging. Deze stijging van temperatuur gaat, ondanks een aantal relatief kleine tijdelijke dalingen, tot vandaag de dag nog steeds door. Een gevolg van deze temperatuurstijging is een stijging van de zeespiegel welke sinds het begin van het Holoceen ongeveer 120 meter hoger is komen te liggen. Dit heeft te maken met het smelten van landijskappen en het uitzetten van het water door de hogere temperatuur. Het Holoceen wordt officieel dan wel aangeduid als een apart tijdvak, maar in wezen is het niet meer dan een voortzetting van het Pleistoceen. Het Pleistoceen staat bekend om de grote afwisseling tussen warme en koude tijden. Met het einde van het glaciaal Weichselien werd een nieuwe interglaciaal ingeluid, namelijk het Holoceen. Het ligt erg voor de hand dat het Holoceen weer wordt opgevolgd door een nieuwe glaciale tijd. Op basis van pollenonderzoek (onderzoek naar de voorkomende planten in een bepaalde tijd) is het Holoceen onder te verdelen in een aantal tijdperken, namelijk het Preboreaal, Boreaal, Atlanticum, Subboreaal en het Subatlanticum. Het begin van een nieuw tijdperk is gebaseerd op belangrijke veranderingen in de plantengroei. Dit hangt nauw samen met de opwarming van het klimaat. Holoceen in Nederland Een groot deel van het oppervlak van het huidige Nederlandse grondgebied is gevormd tijdens het Holoceen. Afzettingen uit dit tijdvak zijn voornamelijk te vinden in de noordelijke en westelijke kustgebieden. De hier aanwezige duin- klei- en laagveengebieden zijn allen gevormd in het Holoceen. Tevens is een groot deel van het rivierkleigebied in het midden van het land in deze tijd tot stand gekomen. - Preboreaal Het Preboreaal (10.000 tot 9.000 jaar geleden) was het eerste tijdperk na het Weichselien. Door het nog relatief koele klimaat werd het Nederlandse grondgebied begroeid met dennen en berken. Omdat een groot deel van het water nog was opgeslagen in ijskappen in het noorden lag de Noordzee grotendeels droog. Rivieren uit het Europese binnenland stroomden via Nederland naar het Kanaal waar ze de oceaan bereikten. - Boreaal Het Boreaal (9.000 tot 8.000 jaar geleden) werd gekenmerkt door de intrede en de snelle verspreiding van de Hazelaar. Het Nederlandse grondgebied werd in deze tijd voornamelijk door dennen en hazelaars begroeid. - Atlanticum Het Atlanticum (8.000 tot 5.000 jaar geleden) begon met de intrede van diverse loofbomen zoals de eik, de iep en de els. Deze bomen namen de dominante positie van de den over. De zeespiegel was inmiddels zover gestegen dat het huidige Nederlandse grondgebied werd bereikt. Vlak voor de nieuwe kust ontstonden strandwallen met daarachter waddengebieden. - Subboreaal Het Subboreaal (5.000 tot 2.700 jaar geleden) stond in het teken van een afkoeling van het klimaat. Dit had niet direct gevolgen voor de plantengroei in Nederland, alleen het percentage van de iep liep terug. De terugval van de temperatuur had wel gevolgen voor de zeespiegel. Deze steeg niet langer zodat de kustgebieden achter de strandwallen langzamerhand konden vervenen. Door het smaller worden van de zeegaten tussen de strandwallen werd het achterliggende nieuwe veengebied beter beschermd tegen de invloed van de zee. - Subatlanticum Het Subatlanticum (2.700 jaar geleden tot heden) werd gekenmerkt door de intrede van de beuk. Hiermee bestond de begroeiing op het Nederlandse grondgebied vrijwel geheel uit loofbomen. De temperatuur liep verder op zodat de zeespiegel wederom steeg. De strandwal in het westen was inmiddels uitgegroeid tot een stevige duinenrij, zodoende werden de achterliggende kustgebieden goed beschermd tegen het oprukkende water. Anders was dat in het noorden. De zee brak door de strandwallen heen en overstroomde een gebied dat overeen komt met de grootte van de huidige Waddenzee. |